Starreveld International

Living is Learning

Een belangrijke karakteristiek van scripties / afstudeeropdrachten op het niveau van HBO / Post HBO / HBO-master is dat ze praktijkgericht zijn. Dat is ook gelijk het grote voordeel, praktisch, toepasbaar, bruikbaar. Bovendien zijn ze van een hoog academisch niveau; het zijn slimme jongens en meisjes die eraan gewerkt hebben.

Er zijn veel methodes die handvatten geven hoe je zo’n project aanpakt; om er een paar te noemen (in alfabetische volgorde) Baarda, Kempen&Keijzer, Kuypers, van der Velde, Verschuren&Dorewaard.

Een korte, praktische handleiding, geïnspireerd door het gedachtegoed van Matthew Lipman, Thinking in Education, 2nd ed., Cambridge University Press, 2003. 316 pp., ISBN: 0521012252, is het volgende in 5 stappen.

Figuur 1 Magische Driehoek van Escher

1 De magische driehoek (van Escher)
Een bijna onmogelijke combinatie van drie dingen.
Welk vraagstuk je ook aanpakt, je moet je altijd eerst afvragen: wat is daarover in de boeken en/of tijdschriften geschreven? HIER kun je een heleboel bronnen vinden waar je artikelen op het gebied van business en management kunt vinden.
Vervolgens hoor je te bedenken dat wat jij wilt onderzoeken waarschijnlijk al eens door iemand anders is onderzocht.

Wellicht in een wat andere context en/of organisatie. Het is natuurlijk belangrijk te weten wat daar uit is gekomen of hoe dat daar is toegepast. Wat kunnen wij daar in deze specifieke situatie van leren? Eigenlijk dus gewoon ‘benchmarking’.
Vervolgens moet je je afvragen: wat is er tot nu toe binnen deze organisatie aan dit onderwerp gedaan?
In de analyse moet je verklaren waarom er eventueel verschil zit tussen theorie en extern.
Of tussen theorie en intern; tussen extern en intern.
Dat zijn natuurlijk de dingen die we vooral graag willen weten.
Hoe dan ook, begin altijd eerst met de theorie, daarna met extern en tenslotte met intern.
Helaas doen veel studenten het precies andersom en dan wordt het verdraaid lastig om de zaak theoretisch ‘recht te breien’. Een beetje beoordelaar haalt dat er meteen uit.

2 Vragenlijst
De tweede stap is: maak een vragenlijst van minimaal 30 vragen over je onderwerp.
Desnoods 50 vragen; hoe meer hoe beter.
Dat bepaalt je meer bij je onderwerp en iedereen met wie je gaat praten zal toch vragen: ”wat wil je eigenlijk weten?” Wat ook handig is: een kort essay / paper van max. vier A-4 tjes over je onderwerp. Als je met mensen gaat praten over je onderwerp is het belangrijk dat ze een zo goed mogelijk beeld hebben van waar het om gaat. Daar kan zo’n essay bij helpen.
Bovendien is het handig als jij, je opdrachtgever en je begeleidende docent op één lijn zitten wat betreft het te onderzoeken vraagstuk. Het heeft ook wat van een contract: “zijn we het er allemaal over eens dat we dit gaan uitzoeken? Dan is dit dus de marsroute”.
Als je nu toch bezig bent, formuleer je vragen dan in tabelvorm, waarin je gelijk aangeeft hoe je die vraag gaat beantwoorden: uit de theorie, extern of intern.

 TheorieExternIntern
Hoe zit de interne controle in elkaar?X  
Welke informatie willen welke afdelingen en met welke frequentie? XX
Welke activiteiten voert een woningbouwvereniging uit?
(nieuwbouw, verhuur, huursubsidie, incasso)
 XX
Hoe verbeter je een AO/IC?XX 
Enzovoorts

Een voorbeeld.
Het gaat over de administratieve organisatie (A.O.) van een woningbouwvereniging.
Hiermee voorkom je dat je later op je brood krijgt dat je geen goede theoretische onderbouwing hebt. Overigens is dit meestal één van de meest nuttige oefeningen, want je zult er verbaasd over staan achter hoeveel vragen je een kruisje zet bij ‘intern’…
Hoe meer vragen hoe beter; neem geen genoegen met 29, maar ga voor 31.
Als je die 30 vragen per stuk op een klein briefje schrijft (je weet wel, die briefjes waarop je even vlug een telefoonnummer schrijft) en je sorteert die 30 briefjes op vier stapeltjes, dan heb je gelijk je vier hoofdstukken. ‘Keep it simple’.

3 Harken
Gewapend met die vragenlijst moet je op zoek gaan naar literatuur die over het onderwerp gaat.
Als vuistregel kun je gerust aanhouden dat je 5 à 10 boeken en 5 à 10 artikelen over je onderwerp moet zoeken. Niet te vergeten 5 à 10 websites (zoekpad en datum van aantreffen vermelden).
Als je die niet kunt vinden is dit een indicatie dat het een moeilijk en misschien wel niet te onderzoeken onderwerp is.
Misschien moet je nu wel van onderwerp veranderen. Dit kun je beter maar zo vroeg mogelijk doen.
Denk aan een vliegtuig dat gaat landen. Als dat nog heel ver van het vliegveld vandaan is en het is uit de koers, dan zijn slechts kleine koerscorrecties nodig. Hoe dichter het echter bij het vliegveld komt des te ingrijpender de nodige correcties zullen zijn.
Vervolgens moet je op zoek naar 5 à 10 mensen die jou iets over het onderwerp kunnen vertellen. Hier geldt hetzelfde: als dat niet lukt, kan dat betekenen dat het een moeilijk- of niet te onderzoeken onderwerp is.
Het belangrijkste van een scriptie / afstudeeropdracht is natuurlijk het verzamelen van informatie.
Probeer zo lang mogelijk en zo veel mogelijk informatie bij elkaar te harken over je onderwerp.
Praat er met zo veel mogelijk mensen over. Begin niet te vroeg met schrijven, want dan leg je jezelf vast; begin er natuurlijk ook niet te laat aan…

4 Bij de les blijven
Het is heel belangrijk dat je min of meer continu/periodiek controleert of je vragen nog wel kloppen, want het kan heel goed zijn, dat er in de loop van het proces wat verandert.
Je krijgt immers steeds meer kennis over je onderwerp.
Er kan in de loop van het onderzoek een zekere evolutie plaatsvinden.
Het is ook helemaal geen schande om na vijf weken nog eens kritisch naar je oorspronkelijke vragenlijst te kijken.
Misschien moet je hem wel aanpassen. Je weet nu weer meer dan toen je begon. Pas wel op dat je niet de richting verliest.
Ik zeg altijd: als ik van plan ben om naar het zuiden op vakantie te gaan zonder dat ik precies weet waar naar toe, kan ik in Spanje of Italië uitkomen; eventueel blijf ik in Parijs al hangen.
Maar wanneer ze thuis plotseling een ansichtkaart uit Zweden krijgen (terwijl ze wisten dat ik naar het zuiden zou gaan) dan is er iets mis.
Eigenlijk moet je na elke stap controleren of je met je vragen nog wel op het goede spoor zit.
Je moet dit zelf doen, maar je moet het ook door je begeleider en je docent laten controleren; zijn dit nou nog steeds de vragen die u beantwoord wilt zien?

5 Puntjes op de ï
Een voorwoord staat helemaal voorin. Je zegt daar wat vriendelijke woorden over je opdrachtgever en je beoordelaar (hij moet je immers een cijfer geven, weet je nog…?), je ouders en je vriend(in).
In je inleiding leg je zo duidelijk mogelijk uit wat je gaat onderzoeken en hoe.
Daarin staat ook de probleemstelling; dat is een ‘ding’ met een vraagteken erachter.
Dus niet ‘Administratieve organisatie van een woningbouwvereniging’ en al helemaal niet ‘Administratieve organisatie’.
Maar ‘Hoe kan de administratieve organisatie van de huurdersadministratie van woningbouwvereniging ‘Beter Wonen‘ zodanig worden verbeterd, dat een goedkeurende accountantsverklaring kan worden verkregen?’
Een samenvatting staat meestal ook voorin, maar het is niet hetzelfde als een conclusie; dat is een veel gemaakte fout.
Je kunt een samenvatting eigenlijk het beste door iemand anders laten maken; een medestudent of een collega die jouw stuk heeft gelezen en er dan een uittreksel van maakt.
Een conclusie is een zo concreet mogelijk antwoord op je probleemstelling. Als je meerdere deelprobleemstellingen hebt (wat meestal het geval zal zijn) moet je ook meerdere deel antwoorden daarop in je conclusie opnemen.
Bij alles wat je schrijft moet je voortdurend kunnen verantwoorden hoe je eraan komt.
Zeg dus niet: ‘de afdeling moet meer procesgericht gaan werken’ . Maar uit onderzoek (en dan tussen haakjes concreet de literatuur en de interviews enz. waaraan je dit ontleent met naam en toenaam noemen) komt naar voren dat het beter is als de afdeling procesgericht gaat werken.

Hoe is nou je tijdsverdeling over de verschillende fasen?
Een goede vragenlijst, opstel, enz. kosten ongeveer 10% van je tijd.
Het ‘bij elkaar harken’ van informatie kost relatief het meeste tijd, ongeveer 60%. Het schrijven kost ook 10%! En het corrigeren, alles op een lettertype, kantlijnen, plaatjes, enz. kost 20 % van je tijd.

Veel werkstukken zijn vertrouwelijk. Ga daar zorgvuldig mee om. Maak hier goede afspraken over. Dat voorkomt zoveel narigheid. Ook met betrekking tot presentaties is er vaak best wat te regelen, maar doe dat niet drie dagen voor de deadline. Doe dat dus gelijk aan het begin van het project.
Zet ook niet ergens in een bijzinnetje in de inleiding dat het vertrouwelijk is, maar met CHOCOLADELETTERS schuin op de voorkant; liever nog op elke bladzijde herhalen, maar dat staat weer zo raar.

Dus:
1. 30 vragen over het onderwerp
2. 5 à 10 boeken over het onderwerp, 5 à 10 artikelen over het onderwerp en 5 à 10 websites
3. 5 à 10 mensen die je iets over het onderwerp kunnen vertellen
4. kort opstel over het onderwerp

Kwalitatief, kwantitatief en cijferonderzoek
Tenslotte nog even kort over een wijd verbreid misverstand.
Kwalitatief onderzoek bestaat uit interviews en focusgroep gesprekken, enz.
Kwantitatief onderzoek is (hoofdzakelijk) met enquêtes.
Een beetje kort door de bocht: kwalitatief onderzoek levert ‘lijstjes’ op, opsommingen, inventarisaties; kwantitatief onderzoek levert percentages op, grafiekjes, tabelletjes.
Haal dat niet door elkaar: als je met 8 mensen een interview hebt gedaan, is het onzin om te zeggen 35% vindt zus of zo.
Als je 8 mensen interviewt, komt daaruit dat je de “…volgende verbeterpunten hebt gehoord: en dan volgt een opsomming van de gehoorde ideeën 1 t/m 11…”
Uit een enquête onder 183 mensen komt naar voren dat “…35% verbeterpunt 3 het beste vindt, gevolgd door verbeterpunt 5 met 30%…”
Een cijferonderzoek is een rekenexercitie; we rekenen het scenario door “…wat het effect is op de winst, als de prijs met 5% toeneemt, terwijl de kosten met 10% afnemen…”

Dit is een korte handleiding bij het maken van een afstudeeropdracht. Het is een suggestie; je kunt hem opvolgen, maar het moet niet perse.
Het is wel een zeer beproefde methode, die gegarandeerd leidt tot succes.
Hoewel er natuurlijk altijd meerdere wegen naar Rome leiden…..